Biografie

We schrijven tweede helft van mei 1962. Een jaar of acht eerder emigreerde een jong Kempisch gezinnetje om den brode naar de Antwerpse randgemeente Berchem. De hoogzwangere moeder beslist echter te bevallen in ‘haar’ Turnhout, dicht bij de familie. Op de 20e van de maand legt ze het hitje ‘Zwei kleine Italiener’ nog eens op de platenspeler vooraleer te vertrekken naar de materniteit. Daar laat ze Peterke – ik dus - uit de schoot rollen, broertje voor de oudere zus Heidi. Jawel, Heidi en Peter; in de Kempen bestaat ook Alpenromantiek.

 

Een week later vertrek ik met moeder naar Berchem waar vader en zus op ons wachten om daar (een beetje) op te groeien en school te lopen in het Sint-Stanislascollege. Als zoon van een Volksunie-mandataris – die ook mijn belangrijkste politieke voorbeeld werd – ben ik al van kindsbeen af en toe op pad voor ‘de goede zaak’. Gezegend blijft evenwel mijn vader dat hij mij nooit ergens naar toe ‘sleurde’. Niet mee willen, was niet mee gaan. Ook zelf sloeg hij ook wel eens een hoogmis over. Thuis werd echter geen debat gemeden. Alleen vergezeld door zin van (zelf)relativering leidt de zoektocht naar het ‘goede’ niet naar blinde verkramping.

 

Van 1980 tot 1984 werd van mij verwacht met zekere regelmaat op UFSIA (nu Universiteit Antwerpen) te verschijnen. In die periode was ik onder meer één jaar hoofdredacteur van ‘Tegenstroom’, het blad van het KVHV. Die vierjarige UFSIA-tijd resulteerde in een diploma van - even ademhalen - geaggregeerd licentiaat in de toegepaste economische wetenschappen. De titel klinkt straffer dan hij verdient.

 

Ik rekende er toen op dat die richting de grootste kans zou bieden ergens als leraar onderdak te vinden. Daarom schoof ik de opties geschiedenis of politieke wetenschappen niet zonder spijt opzij. Het bleek een juiste gok, want sedert september 1984 sta ik voor het schoolbord als leraar in het technisch secundair onderwijs. Eerst in Mortsel (Sint-Aloysius), later in de Antwerpse Seefhoek en Deurne-noord (Sint-Eligius, na fusie met Sancta-Maria herdoopt tot Scheppersinstituut).

 

De dadendrang die de jongeman kenmerkt, deed me enkele jaren van de partijpolitiek proeven, bij de Volksunie. Maar sedert 1987 koos ik er voor volop de kaart van de Vlaamse Beweging te trekken, onder meer als voorzitter van de Vlaamse Volksbeweging (1989-1998) en een kwarteeuw als medewerker van het maandblad Doorbraak. In februari 2013 stond ik mee aan de wieg van het ‘onafhankelijke’ Doorbraak, dat we met een handvol vrienden en op korte tijd konden doen uitgroeien tot een referentie in de elektronische journalistiek. Daar ben ik apetrots op. Tussendoor bemoei ik me ook graag met het onderwijsdebat, zowel in de geschreven media als op televisie.

 

In de loop der jaren leverde ik bijdragen aan tijdschriften van alle kleuren, maten en gewichten, (heel) korte tijd als hoofdredacteur van het weekblad Punt. Die naam bleken de financiers echter iets te letterlijk te nemen. Ze zetten er heel snel een… punt achter. Ik schreef opiniestukken voor zowat alle Vlaamse kranten en/of werd er voor geïnterviewd en verscheen tussendoor wel eens in één of ander televisieprogramma of was te horen op de radio. Kortweg, ik bouwde mijn klein ‘KMO’tje’ uit op het Vlaamse meningenindustrieterrein.

 

In de loop der jaren moet ik in zowat elk Vlaams dorp wel eens een keer opgetreden zijn. Dat was voor een publiek dat in aantal varieerde van niemand en een paardenkop tot de nok gevulde zalen. De eerlijkheid gebiedt toe te geven dat de opkomst niet zelden eerder in de buurt van die paardenkop te situeren was. Ik trad ook op in talloze debatten her en der en speelde wel eens graag moderator. Geloof het of niet, ik deed dat laatste zelfs op een correcte manier.

 

Door al dat schrijf-, spreek- en debatwerk verwierf ik een zekere reputatie als niet altijd onverdienstelijk polemist. Het besef bezig te zijn als ‘illustrator van inpakpapier van aardappelschillen’ (om, in alle bescheidenheid, mezelf even aan te halen), hield de voeten op de grond.

 

Ik werkte mee aan een aantal boeken (onder meer één met Jan Jambon) én, toch wel hét hoogtepunt, werd tussendoor ook nog eens vader van een zoon. Enfin, echt verveeld heb ik me de voorbije 30 jaar zelden.

 

We mogen er van uitgaan dat mij ook de volgende jaren weinig tijd in ledigheid zal resten, want nu – moet er nog aan wennen – ben ik zowaar weer lid van een politieke partij.

 

Januari 2014

 

 

 

Bart De Wever in Humo van 21 januari 2014:
‘Peter De Roover en Jan Jambon hebben toen de ingeslapen Vlaamse Beweging met een ongelofelijk dynamisme gerevitaliseerd. Die mannen waren all over the place!’

‘Als jonge kerel van 22 wou ik er absoluut bij zijn toen die twee, De Roover en Jambon, plotseling opdoken met hun boodschap: “Kom, we moeten een kat een kat noemen en zeggen waar we in the long run voor gaan: een natievormend project.”'