Wordt het westen Afghaanser?

De maatstaven die wij hanteren, willen wel eens sterk afwijken van wat elders in de wereld als meetlat wordt gebruikt. Ook een overtuigde kosmopoliet als Arnon Grunberg is zich daarvan bewust.

Een goed opruimer mag ik mezelf al niet noemen en wanneer een papierberg weggewerkt moet worden, draait het al helemaal uit op een ontmoedigende processie van Echternach. Vorige week was het weer zover toen ik een stapel oude nummers van De Groene Amsterdammer naar de wagen torste om ze een roemloos einde te bezorgen in het recyclagepark. Terwijl ik onhandig de deur opende, schoven enkele exemplaren op de grond en zo viel mijn oog op het nummer van 20 februari 2014 – alweer enkele bergen en dalen geleden. Ik verzamel nogal hardnekkig.

 

Het schutblad beloofde een essay van Arnon Grunberg. De koppenzetter van De Groene verrichtte puik werk want het bijhorende zinnetje ‘Moe van de oorlog, dat zijn we alleen in het Westen’ volstond om de voorziene tocht uit te stellen en het nummer gewoon in de eigen tuin zelf te recycleren. Zo krijg je die papierhoop dus niet weg, ik besef het zeer. Het scheelde geen haar of de hele stapel kwam weer uit de wagen om die nog eens volledig te doorbladeren maar dat gekke idee heeft het laatste brokje praktisch vernuft dat me rest kunnen verhinderen.

 

Arnon Grunberg schrijft romans en columns, dat laatste onder meer elke dag in De Volkskrant. Daar leert de lezer een links-liberale kosmopoliet kennen, die talent en geld genoeg heeft om het zich te kunnen veroorloven dat te zijn. Doorgaans ventileert hij oude politieke correctheid die mij maar heel matig kan beroeren. Maar schrijven kan hij natuurlijk wel en een dwaze kwast is Grunberg allerminst dus leek dat essay de moeite van herlezen waard. Terecht zo bleek.

 

Even inleiden dat Grunberg in die tijd geregeld westerse – vooral Nederlandse – militairen sprak in Afghanistan, een ervaring die zijn analyse duidelijk doordesemt. Na de WTC-aanslag van 9/11 (2001) sloeg een golf van oorlogsenthousiasme over de Verenigde Staten, op afstand gevolgd in West-Europa. Een opflakkering want daar kwam intussen weer een einde aan, schrijft Grunberg, die er de vraag bij stelt of die oorlogsmoeheid bij ons zal blijven aanhouden.

 

Het is behoorlijk uniek meent hij dat na 1945 de “overwonnenen geruisloos overwinnaars konden worden zonder dat daarvoor een nieuwe oorlog nodig was”. Duitsland werd, nu meer dan ooit, de leidende natie van de EU en moest daarvoor niet opnieuw ten strijde trekken. “Elders in de wereld is men ervan overtuigd dat er geen leven is na de nederlaag.”

 

Het zegt iets over de Europese naoorlogse mentaliteit. Grunberg ziet in Europa museale trekken: “de catastrofe is in het museum altijd een afbeelding van de catastrofe, meestal didactisch van aard, en het ontbreekt ons vermoedelijk aan fantasie om ons te kunnen voorstellen dat de catastrofe ook het museum kan binnentreden.” Onze generaties weten wat oorlog is uit boeken, films en documentaires; kortom, vanuit de toeschouwerszetel.

 


“Elders is geschiedenis in de eerste plaats een verhaal over heldendom, nationale trots en opofferingsgezindheid.”


 

Grunberg, geboren in 1971, verhaalt over zijn schooljaren. Hij werd groot “met het idee dat geschiedenis een verhaal is waaruit wijze lessen worden getrokken voor de toekomst, een verhaal dat nieuwe oorlogen moet voorkomen.” In andere windstreken, ervaarde hij intussen, “is geschiedenis in de eerste plaats een verhaal over heldendom, nationale trots en opofferingsbereidheid”. Het is een verhaal over oorlog dat “zoals sport voor saamhorigheid zorgt”.

 

Ons onbegrip voor martelaarschap “gaat hand in hand met afkeer van fanatisme”. De Europeaan is suppoost geworden in zijn eigen museum en suppoosten zijn niet geïnteresseerd in de kunst van het oorlogsvoeren, “hij moet er hooguit op toezien dat niemand de kunstwerken aanraakt.”

 

Op de school van de latere auteur ging het over vrijheid, “een concept dat wij waardevol en prachtig vonden, maar tegelijkertijd voelden noch ik noch mijn klasgenoten er veel voor om voor die vrijheid te sneuvelen. Een frivool soort pacifisme was een onomstreden geloofsovertuiging.”

 

Bij ons verdween de held uit het zicht, Grunberg noemt het fenomeen “post-heroïsch” en ziet de botsing met de andere opvatting die buiten het westen springlevend is: “De overwinning telt, niet de manier waarop die is behaald”. Dat vonden wij na de Tweede Wereldoorlog trouwens ook nog. Oorlogsmisdaden van de geallieerden, daar werd liefst over gezwegen, “bang de nazimisdaden te bagatelliseren”. De omslag kwam met Vietnam. Vanaf toen “werd inzake oorlogvoering in het Westen de vraag hóe de overwinning werd behaald cruciaal.”

 

Grunberg zag de gevolgen bij westerse troepen in Afghanistan. “Grote delen van de westerse bevolking vrezen dat de eigen soldaten potentiële oorlogsmisdadigers zijn, waardoor de westerse legers met restricties optreden waar de vijand niet om maalt.”

 

Wie in een langdurige situatie van oorlog verkeert, gaat wreedheid en geweld normaal vinden. Volgens hetzelfde mechanisme “heeft de langdurige vrede in Europa, met een mild pacifisme als seculiere religie, behalve tot afkeer ook geleid tot ontkenning van de wreedheid.” In Afghanistan bleef “de man veelal nog krijger en de krijger is geen hulpverlener (…) hij is nadrukkelijk geen suppoost.”

 

Grunberg durft stellen “dat de export van de museale gedachte tot nu toe niet succesvol is verlopen en misschien wel tot mislukken is gedoemd”. Als dat zo is, dan vreest Grunberg dat het omgekeerde onvermijdelijk wordt. “Met andere woorden, als Afghanistan niet Europeser wordt, zullen wij misschien worden gedwongen Afghaanser te worden.” De opvatting dat het hóe van de overwinning belangrijker is dan de overwinning zal volgens Grunberg misschien “een onbetaalbare luxe blijken, ook in het Westen.” De Nederlandse auteur stelt het overigens allemaal bedrukt vast want betreurt die ontwikkeling zeer.

 


“Misschien zal op een dag de opvatting dat het hóe van de overwinning belangrijker is dan de overwinning een onbetaalbare luxe blijken, ook in het Westen.”


 

Het valt op dat de kosmopolitisch denkende Grunberg in dit essay meegeeft hoe relatief denkpatronen zijn en hoezeer ze bepaald worden door de omgeving. Hij, kind van joodse ouders die zwaar leden in de oorlog, zag in Kaboel een Dari-vertaling van Mein Kampf probleemloos gesleten worden in een kababrestaurant. Maar “de inwoners van die stad hebben andere symbolen van het kwaad.” En de volgende zin van Grunberg hakt toch wel stevig in op het kosmopolitische denken: “De mens die geneigd is zijn eigen maatstaven aan anderen op te leggen met volstrekte vanzelfsprekendheid vergeet dat ook geschiedschrijving, misschien wel eerst en vooral, een maatstaf is.”

 

Hij verhaalt tussendoor over een Afghaanse die lang in Nederland had gewoond en terugkeerde “om iets voor haar land te doen”. Daar was ze vegetariër geworden. Grunberg daarover: “Vasthouden aan het westerse perspectief in een cultuur die de westerse normen en waarden niet begrijpt of ronduit afwijst is een adequate definitie van het absurde.” Als je deze zin omkeert, wordt hij een stevige klap in het gezicht van de te ver doorgedreven culturele diversiteitsgedachte bij ons. Westerling willen spelen in Afghanistan noemt Grunberg absurd; het omgekeerde is dat dan uiteraard evenzeer.

 

Je kan zelfs hetzelfde zeggen en willen, en daar iets totaal anders mee bedoelen illustreert Grunberg ook mooi. “De Europeaan die ‘nooit meer Auschwitz’ zegt, zegt: zo gaan wij nooit meer met mensen om. De Israëlische politicus die ‘nooit meer Auschwitz’ zegt, zegt: wij willen nooit meer een nederlaag lijden, op welke manier doet er niet zo veel toe.” Eén slogan, twee totaal verschillende invullingen.

 

‘Elkaar verstaan’ heeft die interessante dubbele betekenis: dezelfde taal hanteren en in de gedachtegang van de andere kunnen komen. Door over vele grenzen heen Engels te gebruiken, los je het eerste probleem op maar het tweede allerminst. In tegendeel, het dreigt die drempel zelfs te verbloemen. Het feit dat onze manier van redeneren typisch westers is en elders dikwijls niet begrepen wordt, negeren we best niet te zeer. Onszelf het rad van de zo gewenste universaliteit van waarden en normen voor de ogen draaien, kan hoogstens dienen als placebo voor wat een realistische remedie vraagt.

 

 


 

Hier geplaatst op 7 augustus 2017.

 

Foto: detail uit het treurend ouderpaar van Käthe Kollwitz op het Duitse soldatenkerkhof in Vladslo © Peter De Roover

 

TIP: Dankzij internet kunnen wij ook veel mensen bereiken buiten de klassieke media om. Help daarbij en deel dit artikel. Gewoon op de knop hieronder drukken.

 

LEESTIP: Belangstelling voor de selectie van mijn schrijfsels uit 2016? Stort 19,95 euro (verzending inbegrepen) op rekeningnummer BE52 4143 3177 6109 met vermelding van uw volledige adres en binnenkort liggen 226 blz. De Roover in uw bus

 

Share this
delen