Wat spreken we als Belgisch niet bestaat?

Kersvers minister van landbouw Dennis Ducarme spreekt amper Nederlands en krijgt daar kritiek voor. Met die kritiek ben ik het dan weer niet eens want de ‘confederale’ taalaanpak is natuurlijk gewoon te verkiezen.

Minister van landbouw, middenstand en nog-wat-van-die-dingen Willy Borsus (MR) volgde na de regimewissel bij onze zuiderburen Paul Magnette (PS) op als Waals minister-president. Zodoende kwam er een vacature vrij in de federale regering. De flamboyante Dennis Ducarme bleek de gelukkige uitverkorene maar die kreeg amper tijd om zich wat in te werken. De fipronil-zaak gooide zijn hele plan om rustig greep te krijgen op zijn departement danig overhoop.

 

Het voorbije anderhalf jaar leerde ik Dennis Ducarme goed kennen als collega-fractievoorzitter, wat een haast dagelijks contact met zich bracht. Dat hij over een apart temperament beschikt mag een understatement genoemd worden. Iemand ‘met loeten’ zouden ze in Antwerpen zeggen, de ‘bullebak van het parlement’ werd hij zelfs in de media genoemd. Ach, Dennis – jawel, nous nous tutoyons – is ook wel een karaktervolle toffe knol waarmee ik persoonlijk best over de baan kan. Een overtuigde Belg ook maar in de kennis van de eerste landstaal toch minder overtuigend - de understatements zijn goedkoop vandaag. Dennis spreekt amper of geen Nederlands en als hij het dan toch probeert, is er weinig touw aan vast te knopen.

 

Als fractievoorzitter van de MR viel dat bij het brede publiek uiteraard niet op. Dat werd anders toen hij als kakelverse minister van landbouw over de nieuwste kip&eierenkwestie moest communiceren. De Vlaamse media niet te woord staan was natuurlijk geen optie voor een federale excellentie; het in het Nederlands doen is technisch dan weer onhaalbaar voor de betrokkene. Dus sprak hij ook voor de Vlaamse media zijn eigen basstemfrans, wat hem her en der verweten werd.

 

In de speciale Kamercommissie die woensdag gedurende bijna acht uur de hele affaire doorworstelde begon Ducarme zijn tussenkomst met enkele moeizame woordjes in de taal maar niet in de stijl van Vondel en hij beloofde een intensieve taalcursus te gaan volgen. Ach, de man vierde intussen zijn 44e verjaardag en werd tot nu blijkbaar nooit echt gehinderd door een gebrek aan kennis van het Nederlands. Dat feit kan en mag eigenlijk alleen belgicisten storen, die in de onwrikbare eenheid van België geloven. Het illustreert vooral de fundamentele gespletenheid van dit land.

 

Mij kan het weinig schelen, meer nog: Ducarme heeft overschot van gelijk dat hij, ook als minister, zijn eigen taal gebruikt. Ik doe dat als parlementslid trouwens ook. Er zijn goede redenen voor ministers om gewoon consequent die eigen taal te gebruiken in het parlement en tegenover de pers. Ten eerste mag van elke federale politicus en elke Wetstraatjournalist verwacht worden dat die de ‘andere’ taal voldoende passief beheerst en verder zijn er in het parlement nog de immer aanwezige tolken.

 


Een ernstig politiek debat voeren in een andere taal lukt niet voor de grote meerderheid van de mensen en politici zijn nu eenmaal mensen.


 

Daniël Bacquelaine (MR), de charmante minister van pensioenen, deed consequent zijn best om mij in het Nederlands te antwoorden toen ik in de fractie het thema pensioenen nog voor mijn rekening nam. Ik moest als het ware de Franse vertaling consulteren om te weten wat de brave man eigenlijk bedoelde. Trouwens, ook niet alle Vlaamse excellenties beheersen het Frans op het hoogste niveau – understatement drie. Als ministers een vreemde taal moeten gebruiken en parlementsleden de eigen spraak kunnen kiezen, worden de wapens ongelijk verdeeld. Kortom, die zogenaamde taalhoffelijkheid van ministers in het parlement leidt tot ongelijkheid maar ook tot misverstanden en, meer nog, tot niveauverlies.

 

In politieke debatten komt het namelijk aan op nuances, moet soms technische uitleg gegeven worden, vereisen spontane vragen even spontane antwoorden. Daar ligt de tweede, zeer goede reden om ieder de eigen moederspraak te laten gebruiken. Een ernstig politiek debat voeren in een andere taal lukt niet voor de grote meerderheid van de mensen en politici zijn nu eenmaal mensen.

 

Minister Maggie De Block (Open VLD) was in conditie gisteren in die Kamercommissie en zette een gretige Annick Lambrecht (sp.a) gevat en stevig op de plaats. Toen ze even later overschakelde naar het Frans om een zuiderse collega van repliek te dienen, veranderde de vlotte debattante in een weifelende gladijsschaatster die over onvoldoende parate woordenschat beschikt om enigszins waardevol weerwerk te leveren. Lees dit niet als een of andere afrekening met ‘Maggie’, ook ik verlies driekwart of meer van mijn verbale talenten wanneer ik op een andere taalterrein in discussie moet treden met iemand die op dat vlak thuis speelt.

 

De logische oplossing, allemaal Belgisch praten, is om voor de hand liggende redenen geen optie. Laten we daarom kiezen voor een techniek die een stevig en eerlijk politiek debat waarborgt en blijk geeft van respect: ieder spreekt de eigen landstaal en verstaat die van de andere. Ik hou het bij Nederlands want in mijn moers taal druk ik mij het beste uit.  En dan mag de sympathieke collega Kattrin Jadin (MR) het van mij in het Duits doen en Dennis, wel laat Dennis maar in het Frans brommen.

 



Hier geplaatst op 10 augustus 2017.

 

Foto: Voor de Kamercommissie van 9 augustus 2017 werd minister Ducarme door de pers letterlijk bestormd © Peter De Roover

 

TIP: Dankzij internet kunnen wij ook veel mensen bereiken buiten de klassieke media om. Help daarbij en deel dit artikel. Gewoon op de knop hieronder drukken.

 

LEESTIP: Belangstelling voor de selectie van mijn schrijfsels uit 2016? Stort 19,95 euro (verzending inbegrepen) op rekeningnummer BE52 4143 3177 6109 met vermelding van uw volledige adres en binnenkort liggen 226 blz. De Roover in uw bus

 

Share this
delen