Scheppers in het parlement: gesprek met Peter De Roover

In juni 2014 werd Peter De Roover, bijna 30 jaar leraar aardrijkskunde, recht, economie, bedrijfsbeheer en maritiem transport aan het Sint-Eligiusinstituut en het Scheppersinstituut Deurne & Antwerpen, verkozen tot federaal parlementslid voor de N-VA. In een mum van tijd schopte hij het tot fractievoorzitter in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. We nodigden hem voor een gesprek uit. (Inleiding van het interview voor het schooljaarboek van het Scheppersinstituut - Antwerpen)

Hoe bevalt het je in de politiek, Peter?

 

Het is alleszins uitermate interessant, zeker als je politiek geïnteresseerd bent. Het is boeiend om te zien hoe zaken, waarmee ik al 30 jaar eerder als toeschouwer of waarnemer bezig ben, in de praktijk functioneren. Al is het niet altijd even prettig, want het is een heel opslorpende bezigheid en ze vindt ook grotendeels in de schijnwerpers plaats. Het grote verschil tussen de politiek en de rest is niet dat wij aan politiek doen – want iedereen doet aan politiek – maar wel dat er bij ons altijd een horde journalisten met zijn neus op zit. Die moeten nieuws brengen, ook als er geen is. Dus wordt nieuws ook wel eens gefabriceerd. Tijdens onderhandelingen moet je voortdurend je mening geven, ook al zwijg je beter om tot een akkoord te komen. De ene politicus weet zich wat beter in te houden dan de andere. Want journalisten accepteren niet dat je in het openbaar voorlopig geen standpunt wil innemen. Ze blijven bellen tot ze iemand vinden die wel wil antwoorden. Je staat dus onder permanente druk: ga ik iets zeggen, wat zeg ik dan en wat maakt men ervan? Interviews kun je nog nalezen, maar de koppen en titels heb je niet in de hand en daar word je nadien op gepakt. Die permanente waakzaamheid en bij momenten stress zijn voor mij nu dagelijkse kost. Ik heb twee woordvoerders, die voortdurend in mijn bureau staan. Als fractievoorzitter ben ik immers verantwoordelijk voor een groep van 31 parlementsleden.

 

Ik vind dat je als politicus een debat moet kunnen voeren. Dat debat zou dan maatschappelijk pro’s en contra’s moeten losweken, maar op het ogenblik dat er concrete maatregelen worden genomen of een wetsontwerp vorm moet krijgen, moet dat in de luwte kunnen plaatsvinden. Je kunt immers slecht “leveren”, als men je tijdens de onderhandelingen op de vingers kijkt. Zo vond ik het een vergissing dat de parlementaire werkgroep politieke vernieuwing met open deuren plaatsgevonden heeft. Je zag dat sommige parlementsleden puur aan politieke profilering begonnen te doen als er een camera in de buurt was. Of nog: in de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart zijn de betere momenten de gesloten zittingen. Op dat moment zijn getuigen en politici bereid om dingen te zeggen die belangrijk zijn maar die niet per definitie meteen in de pers moeten komen. Dus, transparantie is mooi als ze toch met mate geserveerd wordt.

 

Je moet dus vaak op de tanden bijten en zwijgen. Is dat makkelijk?

 

Het moet wel: ik leid een fractie van 31 volksvertegenwoordigers in een meerderheid. Wij maken deel uit van een coalitie en dat vraagt discipline om je aan de afspraken te houden. Bovendien zit ik in een grote partij met ook Vlaamse ministers, een Vlaamse fractie, Europese parlementsleden ... Ook dat moet gecoördineerd verlopen, want je kunt moeilijk in het ene parlement iets zeggen en in het andere parlement het tegengestelde. Alleen, in Vlaanderen hebben we niet helemaal dezelfde meerderheidscombinatie dan federaal.

 

De publieke opinie begrijpt niet altijd het verschil tussen “ik zit in de meerderheid” en “ik ben de meerderheid”. Nochtans is dat verschil gigantisch en essentieel. Met mijn collega’s fractievoorzitters Servais Verherstraeten (CD&V), Patrick Dewael (Open VLD) en Denis Ducarme (MR) (intussen minister geworden en vervangen door David Clarinval) ben ik in voortdurend overleg om te zien dat onze schepen min of meer tegen dezelfde snelheid varen en in dezelfde richting. Bovendien moeten we ook rekening houden met de regering, de uitvoerende macht. De ministers lopen het meest in het zicht, maar wij moeten hen natuurlijk wel ruggesteun geven. Kritiek kan wel, maar hoever kun je daarin gaan? Hoever kun je in de eigen profilering gaan? De regering is geen huwelijk of geen fusie. Er zijn vier verschillende partijen, dus is het logisch dat je over sommige zaken een verschillende mening hebt. Maar je moet wel samen één beleid voeren.

 

Naast fractievoorzitter ben je ook gewoon parlementslid. Blijft er nog tijd voor dat parlementair werk over?

 

Heel weinig, want ik moet niet alleen de 31 parlementsleden in de fractie sturen, er zijn ook nog 20 medewerkers. Ik sta dus voor dezelfde uitdagingen als de baas van een kmo , ook op personeelsvlak bijvoorbeeld. Ik moet ervoor zorgen dat die medewerkers, die altijd in de schaduw staan maar ontzettend belangrijk werk leveren, voldoende gerespecteerd worden en dat ook laat voelen. Aan mijn gewoon parlementair werk kom ik dan soms niet meer toe. Het is heel boeiend en uitdagend, maar vermoeiend, vooral ook mentaal. Je weet ’s morgens wel wanneer je vertrekt, maar niet wanneer je terug thuis bent en ook niet wat er die dag allemaal op je boterham terechtkomt.

 

Als fractievoorzitter en als lid van het dagelijks bestuur van de partij moet je dus veel meer dossiers opvolgen dan als gewoon parlementslid?

 

Uiteraard, en daarvoor betaal ik de prijs dat ik niet met elk dossier tot in de details bezig ben. In het dagelijks bestuur komen daar ook nog de Vlaamse dossiers bij, vanzelfsprekend om puur praktische redenen minder intensief. Maar toch: als fractievoorzitter word je daar ook op aangesproken en in dit land met zijn meer dan ingewikkelde structuren is de weerslag van het een op het ander er altijd wel.

 

Is het een voordeel om leraar geweest te zijn, zeker ook als fractieleider?

 

Ik denk dat het voor een parlementslid altijd een voordeel is dat je een lange tijd, in mijn geval 30 jaar, op een “normale” manier je kost verdiend hebt. Ik heb de wereld wel gezien. en dat maakt het besef scherper dat ons parlementair werk impact heeft op mensen. Een beroepspoliticus zal die voeling minder hebben. Bovendien heb ik na 30 jaar onderwijs een pak psychologisch inzicht verworven in de “condition humaine”. Er is op dat vlak weinig verschil tussen een leerling en een parlementslid. De basismechanismen van menselijke interactie, conflictbeheersing enz. zijn universeel of dat nu in een klas is of in een fractie.

 

Je kwam vroeger ook al zijdelings met de politiek in contact vanuit je engagement in de Vlaamse Beweging. Kijk je anders naar de politiek, nu je er zelf inzit?

 

Voor mensen is het soms moeilijk om te zien dat ik op een andere manier met hetzelfde bezig ben. Vroeger was ik een waarnemer en commentator, nu zit ik gewoon in de job. Politicus zijn is een métier met verantwoordelijkheden die ik vroeger niet had. Ik kan nog altijd zeggen wat ik wil, maar niet meer in de krant, wel in het dagelijks bestuur van de partij. Daar krijg ik soms gelijk en soms ook niet. Daar moet ik mij naar schikken, want politiek is een ploegensport. De commentator daarentegen is een individualist. Dat geeft naar buiten uit meer vrijheid, maar waarschijnlijk minder impact. Mijn vrijheid is nu anders.

 

Doordat ik de politiek lang als buitenstaander van heel nabij gevolgd heb, is mijn “integratie” als politicus sneller verlopen: ik had een realistischer beeld van de politiek. In onze fractie stellen sommigen met verbijstering vast hoe traag alles loopt en hoeveel horden je moet nemen om iets te realiseren. Ik wist het al eerder, maar nu besef ik nog beter hoeveel deelnemers er zijn in het besluitvormingsproces. Zelfs als grootste fractie ben je maar één stukje uit het raderwerk, naast de regering, het sociaal overleg, de ambtenarij, de drukkingsgroepen, allerhande mechanismen boven en onder de waterlijn, die een zeer grote impact hebben op heel dat proces. Daarom zijn veel parlementsleden ook graag schepen of burgemeester omdat ze vaststellen dat ze lokaal sneller en concreter dingen kunnen realiseren.

 

En de omgekeerde vraag: kijk je nu anders naar de job van leraar dan voordien?

 

Ik heb een zeker heimwee naar het lesgeven. Niet dat ik dat elke dag mis, maar ik denk met plezier terug aan het feit dat ik 30 jaar voor de klas heb gestaan. Ik ben politiek gesproken maar heel zijdelings bij onderwijs betrokken omdat dat natuurlijk een materie van het Vlaams parlement is. Maar vanuit mijn onderwijsvisie kijk ik met angst het moment tegemoet dat de N-VA in de oppositie terechtkomt.

 

In de klas ben je veel concreter met mensen bezig dan in een parlement. De mensen over wie het daar gaat, zitten immers voor je neus. In het parlement is dat abstracter. De onmiddellijke voldoening is op school groter, de onmiddellijke frustratie waarschijnlijk ook. Politici daarentegen kunnen zich langer wentelen in de illusie dat ze goed bezig zijn, omdat ze minder direct met de impact van hun werk geconfronteerd worden.

 

Mis je de school?

 

Ik heb de beslissing om in de politiek te gaan absoluut niet genomen op een moment dat ik het op school beu was. Het onderwijs was dus niet het argument om onze school te verlaten, wel de politiek. Bovendien speelde als prille vijftiger het gevoel mee dat het stilaan de laatste kans was als ik nog eens iets anders zou willen doen.

 

Ik ben er vast van overtuigd dat ik iemand anders zou geweest zijn als ik niet in het onderwijs was terechtgekomen en geen leraar in de Seefhoek en Deurne-Noord zou geweest zijn. Ik ben blij dat ik dat leven geleid heb. Ik heb graag mijn steentje bijgedragen tot die sociologische realiteit omdat dat  een heel uitdagende omgeving is. Dat is nu voorbij en dat mis ik. Ik heb het altijd prettig gevonden dat je in september voor de uitdaging staat zodanig een band op te bouwen dat je de leerlingen iets mag zeggen en ze je kritische opmerkingen willen aanvaarden. Het mooie aan het onderwijs blijft toch – op de momenten dat het lukt – dat je jonge mensen kunt meenemen naar gebieden die zij zelf niet zouden betreden zonder begeleiding. Daar heb ik heel warme herinneringen aan.

 

Eens leraar altijd leraar: heb je een boodschap voor onze (oud-)leerlingen?

 

Oud-leerlingen kom ik wel eens tegen, letterlijk op straat of via sociale media. Ik hoop dat we hen op onze school toch iets hebben meegegeven. Als ik met hen spreek, heb ik het gevoel dat ze er op een verstandige en creatieve manier gebruik van maken. Aan jullie leerlingen zeg ik: besef hoe geprivilegieerd je bent dat je dat onderwijs mag volgen. Alles kan natuurlijk beter, ook het onderwijs, de verdeling van kansen enz. Maar laat je niet om de tuin leiden door wie miserabilistisch beweert dat je geen ruimte gaat krijgen om je te ontplooien. Doe dus niet aan zelfcensuur: je krijgt zeer veel kansen en of het daarmee lukt, heb je in belangrijke mate zelf in handen. Wie dat beseft, zal het in het leven een stuk beter doen dan de anderen.

 

Het valt me op dat je geen politieke boodschap geeft.

 

Misschien sprak nu toch weer meer de leraar dan de politicus. Ach, je kunt De Roover wel uit het onderwijs halen, maar het onderwijs niet uit De Roover. Met de vakken die ik gaf, heb ik altijd speciaal aandacht kunnen besteden aan de ontwikkeling van burgerschap. Dat is een opdracht die het onderwijs zeer ter harte moet nemen, want burgerschap komt nooit vanzelf. Als je niet weet hoe het systeem werkt, kun je er ook niet toe bijdragen. Democratie kan maar werken met mensen die daarin willen functioneren. Misschien is dat belangrijker dan sommige andere activiteiten die op school plaatsvinden!

 

Peter Meukens




Overgenomen uit Schepperskroniek 2017, hier geplaatst op 22 november 2017. 

 

Foto: © Belga


TIP: Dankzij internet kunnen wij ook veel mensen bereiken buiten de klassieke media om. Help daarbij en deel dit artikel. Gewoon op de knop hieronder drukken.


Share this
delen